Het was al bekend, maar de Bloemencorso Eelde heeft er een wagen bij. En niet zomaar een. De bewoners van het AZC in de voormalige Bladergroenschool bouwen een corsowagen. De multicultiwagen, zoals zij het zelf noemen. Dit alles staat onder bezielende leiding van Lisenka de Bruin.

De Bruin meldde zich als een van de eersten om de bewoners van het AZC te helpen met hun corsowagen. ‘Wij hebben er vooral heel veel plezier in,’ zegt De Bruin enthousiast. ‘Het frame is klaar. Het knutselen doen wij in de Bladergroenschool en het lassen in de Harm Rutgershal.’ Binnenkort gaat alles over naar de hal, want dan wordt de wagen in elkaar gezet. Het is echter lastig voor de vrijwilligers om gestructureerd te werken. Niet alleen de taal is een barrière, maar ook het grote verloop van de bewoners.
‘Wij hebben inderdaad geen vaste groep,’ verklaart de vrijwilliger. ‘Het verloop is groot. Van de tien mannen die in eerste instantie schoffelden is er nu nog een over.’ Dat heeft niets te maken met dat de bewoners geen zin meer zouden hebben, maar omdat de mensen weer doorgestuurd worden door het COA. Naar andere locaties.
‘We hebben er in een paar maanden tijd een groot aantal vrienden bij,’ vertelt Jacqueline Haijkens bij RTV Drenthe. De voorzitter van het Bloemencorso zag het dit jaar wel zitten om asielzoekers te vragen een wagen te bouwen. Het idee werd ooit geopperd door de vrouw van de penningmeester en nu dus ten uitvoer gebracht. ‘Het is denken wij de ideale manier om erbij te horen,’ zegt Haijkens. ‘Als je van maart tot september meehelpt, kom je letterlijk overal. Op het feest, in de wijken, noem maar op. Je maakt met iedereen kennis.’

Nu de bouwers en de schoffelaars van het eerste uur elders in Nederland zijn gevestigd en er weer nieuwe bewoners van het AZC meehelpen met de corsowagen, is het zaak voor De Bruijn om wel in contact te blijven met de mensen elders. ‘Iedereen die meegeholpen heeft, wordt uitgenodigd. Ik heb met iedereen contact,’ zegt De Bruijn. ‘Over eventueel entreegeld hoeven zij zich geen zorgen te maken en desnoods kunnen zij bij mij thuis slapen.’