Een begrip wat gelukkig nog veel in onze gemeente voorkomt: ‘Naoberschap’.
In de Randstad of grote steden eigenlijk een wat verloren gegaan begrip, men leeft daar wat meer op zichzelf over het algemeen, een simpel groeten op straat is er vaak al niet meer bij, al is het in de grote steden vaak ook zo druk dat je wel kunt blijven groeten! Toch vind ik het nog altijd bij Eelde horen, als je op straat loopt of mensen tegenkomt, simpel het woordje ‘moi’ zegt, of als je in de auto rijdt even vriendelijk een hand omhoogsteekt, of ook zo gebruikelijk in onze gemeente: even alleen de wijsvinger opsteken. Het hoort waarschijnlijk bij de opvoeding van autochtone Eeldenaren, tenminste: ik heb de gewoonte overgenomen van mijn vader, als hij vroeger in de auto zat en een bekende tegenkwam, hij zijn wijsvinger opstak, inclusief een korte hoofdknik, en dan luidkeels ‘Moi’ riep, iets wat mij indertijd bevreemdde, immers, de tegemoetkomende automobilist was allang gepasseerd als mijn vader zijn groet bracht, de gesproken groet was alleen hoorbaar voor mij als passagier, als kind vond ik dit altijd merkwaardig. Toch betrap ik mezelf er weleens op dat ik exact hetzelfde doe, vooral bij bijvoorbeeld een wegversmalling. Wanneer een tegenligger dan hoffelijk stopt, ik mijn wijsvinger de lucht insteek, mijn hoofd knik en luidkeels ‘moi!’ scandeer.

In de grote stad is alles wat ‘anoniemer’, het zou te ver voeren om daar iedere automobilist welke je tegenkomt te begroeten, hetzelfde geldt bijvoorbeeld als je in een grote galerijflat woont met tientallen bewoners, in zulke buurten is het ‘noaberschap’ vaak geheel verdwenen, al zie je het nog wel terug in wijken als bijvoorbeeld het Oosterpark in Groningen, de Oosterpoort en de Hoogte, daar waar gezinnen al jarenlang in hun (eenvoudige) huizen wonen, nog een borreltje halen in het buurtcafé of een patatje in de cafetaria, waarbij niet zelden de heer des huizes zijn bestelling doorgeeft, aan de bar een pilsje krijgt aangeboden, aansluitend een tweede of derde, waarbij de frites koud stond te worden op de bar. Vaak op zondagavond, zo’n echte buurtgerelateerde situatie!

Van een geheel andere orde is het helpen van elkaar, of een oogje in het zeil houden, met name bij oudere alleenstaanden.
Ronduit schrijnend vind ik de verhalen welke je af en toe hoort over mensen die al weken zijn overleden, doch pas veel later worden aangetroffen, bij zo’n verhaal denk ik toch dat zulke mensen, nog los van het verschrikkelijke feit hoe ze worden aangetroffen, dus geen familie, kennissen of buren hebben, die zich om hen hebben bekommerd.
In een dorp als het onze zal dit niet snel gebeuren denk ik, buren letten nog wat op elkaar, ik hoorde eens het simpele verhaal over twee (oudere) vrouwen die elkaar niet de deuren wilden platlopen, doch elke ochtend een bepaalde bloemenvaas verwisselden, zodat, als de ander voorbijliep deze in één oogopslag zag: Ze is wakker! Een heel simpel, doeltreffend middel om elkaar wat in de gaten te houden dacht ik!

Van weer een heel andere orde is het ‘denken om elkaar’ door in een woonwijk een kastje te plaatsen om daar levensmiddelen welke je zelf niet gebruikt of zelfs wilt weggooien in te leggen, waarbij andere buurtgenoten dit kunnen ruilen of meepakken, dit onder het motto: Wat de een niet lust, daar eet een ander zich klem in, met dit idee is in onze gemeente de zg. buurtkoelkast ontstaan, eentje op de Drostweg, de ander op de Patrijsweg.
Een idee wat navolging verdient, en zelfs iets om als gemeente trots op te zijn, puur noaberschap!