Eigenlijk is iedereen het erover eens. Het is zonde dat Café Friescheveen dichtgaat. Veel mensen hebben er mooie herinneringen aan. Zomerse dagen, bootje varen, ijsje eten. Ouderwetse gezelligheid. De eigenaren denken er net zo over. Het doet pijn het familiebedrijf na meer dan 100 jaar op te geven, maar het ging niet meer en dus ging de deur op 10 oktober definitief dicht.

Het besluit viel rond de bouwvakvakantie. Jean-Paul Dubois en zijn vrouw zetten toen alles nog eens goed op een rij. Jean-Paul zat al in het bedrijf samen met zijn moeder en het was de bedoeling dat hij het, met zijn vrouw samen, zou voortzetten. Maar alles overziend was het onder de huidige omstandigheden niet reëel. Jean-Paul: “De toekomst rond corona is onzeker, de aanleg van de ecologische verbindingszone gaat gevolgen hebben voor het gebied en het hele proces dat eraan vooraf is gegaan heeft ons ook geen goed gedaan. Het afgelopen anderhalf jaar was door corona ook minder dan anders. In de zomer konden we nog redelijk verdienen, maar de verenigingen, zoals de bridgers, die in de winter hier samenkwamen, mochten we niet ontvangen. We hebben nog wel geïnvesteerd, maar konden niet alles doen wat nodig is. Wij hebben een jong gezin met een dochter van net een jaar en een tweede op komst en we zouden op termijn mijn moeder moeten uitkopen. Op een gegeven moment moet je verstandig zijn.”

Dat besluit heeft nogal wat gevolgen, met name ook voor moeder Gini die al ruim 40 jaar bij het café woont. “Ik ben eigenlijk nog nooit eerder echt verhuisd. Ik ben hier ingetrokken bij mijn man en schoonouders die toen het café runden, zij hadden het overgenomen van een oom. We woonden eerst ongehuwd samen en dat was in die tijd voor sommige mensen nog onacceptabel. Ik kwam uit de stad waar het al heel normaal was. Pas toen we getrouwd waren, groetten de mensen me ook buiten het café.” Jean-Paul is letterlijk opgegroeid in het café, maar zou er niet willen wonen. “Nu had ik als ik thuis kwam ook nog wel de administratie, maar in ieder geval geen mensen meer aan de deur.” Gini: “Ja, echt vrij waren we nooit, als mensen zien dat je er bent, komen ze toch vragen of ze nog even naar het toilet kunnen. Gisteren wilde er nog iemand een ijsje kopen terwijl toch overal aangeplakt staat dat we dicht zijn. Daarom gingen we zelf ’s avonds nog wel eens het gebied in, varen of lopen. Die natuur doet zo goed, een uurtje of anderhalf was genoeg om bij te komen van de drukte.”

Toekomst
Wat er met het pand gaat gebeuren is onduidelijk. De provincie heeft het gekocht en denkt het als opslag- en vergaderruimte te gebruiken tijdens het werk aan de ecologische verbindingszone. Gini wil het eigenlijk niet weten. “Ik ga hier weg en kom niet meer terug. We hebben zo lang gevochten met diezelfde provincie om hier ons bedrijf voort te kunnen zetten. Nu het besluit is genomen, wil ik het ook echt achter me laten en door met mijn leven” Jean-Paul vreest ook dat het pand uiteindelijk zal worden afgebroken. “Ze hebben het er wel over dat ze het weer verkopen met een horeca-bestemming erop, maar ik weet het niet, het zou me niet verbazen als het verdwijnt. Het gebied gaat sowieso veranderen, de waterloop wordt omgelegd, de dijken worden omgelegd. Met de bootverhuur is het waarschijnlijk ook echt gebeurd, maar hopelijk blijft het gebied voor wandelaars open.”

Nu rest Gini en Jean-Paul niets anders dan het uitzoeken van de spullen die in ruim een eeuw tijd in het huis en café zijn verzameld. Jean-Paul: “Er gaan dozen open waar we het bestaan nauwelijks van wisten en we komen van alles tegen, oude foto’s en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit 1921 bijvoorbeeld. Het is geen leuk werk, maar de reacties op de sluiting doen ons goed. Wij zijn niet de enigen die het café gaan missen, dat is wel duidelijk.” Gini: “Mensen vertellen vaak hoe ze hier als kind met opa en oma kwamen en nu met hun eigen kinderen. Dat ga ik het meest missen, de verhalen van mensen die je hier groot hebt zien worden en die dan nog altijd spikkels op hun ijsje willen, net als vroeger.”