Peizenaar Robert Kosters heeft ruim 45 jaar gewerkt aan het Groninger Instituut voor Archeologie. Hij liet tal van cursisten en hoogopgeleide mensen versteld staan van zijn kennis. Kosters werd zonder een opleiding genoten te hebben archeoloog. Het geheim is volgens Kosters simpel te verklaren: het is een kwestie van gevoel en ervaring.

Ervaring die hij opgedaan heeft in de natuur. Al als 5-jarige vond hij kikkers interessant. Dode kikkers wel te verstaan. “Pa was altijd op jacht. Hazen en eenden werden geslacht. Als kind deed je het na, het is natuurlijk gedrag.” Daarnaast was zijn interesse voor de natuur altijd al groot. “Mijn klasgenoten voetbalden, ik was in het veld”. ‘Veld’ wil zeggen, de natuur. Kosters woonde midden in het boerenland. Hij was altijd te vinden in de petgaten van de Baggelwieken (in de Onlanden, niet te verwarren met de Baggelwieken in Eelde), vlak bij de Amerikaanse windmolen. “Ik heb er de laatste visotter nog gevonden. Het was in die tijd heel schoon water.” Na wat hij eerst kwajongensstreken noemde met de kikkers werd het serieus. Hij werd preparateur. “Maar je hebt verschillende preparateurs. 99 van de 100 preparateurs zetten dode dieren op, ik maakte skeletmateriaal.” Kosters komt prompt met een voorbeeld, het skelet van een Toppereend. “Voor de opgegraven botten heb je recent vergelijkingsmateriaal nodig, zodat je precies weet welk soort het is. Ik verzamelde alles per familie, per botsoort. Dit leer je niet uit een boek, het is een kwestie van ervaring. Ik ben in 1967 bij het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) gekomen. Voor die tijd deed ik kantoorwerk, maar dat was niks voor mij. Ik kreeg last van de ogen. Van de oogarts kreeg ik te horen dat ik ander werk moest zoeken. Want mijn ogen waren oververmoeid door het getuur op het scherm. Bij het GIA vroegen ze een preparateur. Uit de zestien sollicitanten werd ik gekozen. Doorslaggevend was het gesprek met de directeur. We hebben het niet over het werk gehad, maar bijvoorbeeld de natuurclub NJN, waar hij ook lid van was.” Op het instituut kreeg hij zijn eigen verzamelkamer.
grootste collectie
Kosters durft rustig te stellen dat hij de grootste collectie botten van Nederland had, zo’n 4500 in getal. En dan begint zijn opsomming van opgravingen waar geen einde aan komt. Opgraven, determineren en ook zeven, waren zijn werkzaamheden. Hij had een zelfgemaakte zeefinstallatie. Bij de in werking gestelde waterberging van de Onlanden was ook een groot archeologisch onderzoek. Het resultaat was mager. “Dat komt door de grondsoort. Het is veen en zand waar veel zuurstof in zit. Daarom vind je er weinig botten. Dit in tegenstelling tot kleigrond. Een bijzondere vondst was wel de Amerikaanse rivierkreeft, die pas sinds 1970 hier voorkomt. Verdere ontdekte dierskeletten: onderkaak van rund, varkens, paarden. De botten worden met houtlijm geïmpregneerd”, legt Kosters uit. “Met een kwastje conserveer je het, zodat het niet uit elkaar valt.” Kosters ontdekt dingen die andere mensen niet zien. Zoals bij het onderzoek in Groote Veen. Hij ontdekte daar de onderkaak van een paard. “Normaal vind je die niet. Ik ontdekte een witachtig poeder, toen wist ik zeker dat het kaken moesten zijn.”
Niet voor gestudeerd
“Ik heb hier niet voor gestudeerd, ik heb het ook niet van mijn vader, dat is een bepaald gevoel. En geduld.” Zo was het ook in Roderwolde waar een wagenwiel werd gevonden, zo’n 60 centimeter diep. Maar hij zocht verder en vond zowaar een wijnvat. In de rivier de Tjonger bij Oosterwolde een kenmerkend beeld. Daar was hij bezig met enkele studenten. De eerste keer haalde hij een skelet van een oeros boven water, jaren later gingen ze naar dezelfde plek. “Een student pakte een handvol botten op. Wat is dit? vroegen ze aan mij. Het bleken twee skeletten van de Moerasschildpad. Die zijn nooit zo noordelijk gevonden. Dat betekent dat 5000 jaar voor de jaartelling er ook al sprake was van opwarming van de aarde. Binnen een uur wist heel Nederland dit, het was een unicum.” Kosters nam ook een keer de media in het ootje. Dat was in het Friese Winsum. Enkele studenten vonden drie schedels. En weer moest Kosters het verklaren. Het ene schedel bleek van een hoorn loos rund uit de Romeinse tijd, het ander een paardenschedel. “Ik zei dat het van een Fries paard was. Een verslaggever ter plekke vroeg hoe ik dat nu kon zien. Friese paarden zijn zwart zei ik. De volgende dag stond het in de krant, maar dit was de grootste flauwekul.” Maar dit was een uitzondering. Hij heeft zoveel ontdekt. Wederom was de Friese klei de plek. Eerst vond hij een hondenskelet in een mestkuil, nadat verder werd afgedaald stuitte hij op een hunebed. “Een hunebed midden in de klei dat kan niet zou je zeggen. Maar het was wel zo. Voorwerpen van het Trechterbekervolk waren het bewijsmateriaal. Het is bekend dat het Trechterbekervolk hunebedden achterlieten.” In de Ketelhaven dacht men een hondenkaak te hebben gevonden, maar Kosters zag dat het van een katachtige moest zijn. Het bleek van een lynx, die niet in het wild voorkwam maar volgens hem vermoedelijk van een schip kwam. De landbouwhogeschool Wageningen had een collectie botten die gevonden werden bij een terp in Friesland. Kosters zocht het uit en ontdekte de botten van renpaarden. “Het was te zien dat de linker poot minder slijtage had opgelopen dan de rechter, waar de druk op lag. Daar hadden ze nooit bij stilgestaan.” Ook deze berg botten en schedels (ook van de bruine beer, wilde varkens, edelherten en meer) ging mee naar zijn kamer op het instituut.
“In 2012 ging ik met pensioen, maar ik ben nog een jaartje doorgegaan. In 2014 zocht het Klompenmuseum een conservator. Alles moest nagekeken worden, want de nummering van de klompen klopte niet. Met later Homan Bonder erbij zijn we daar een paar jaar mee bezig geweest. Een groot deel van de collectie moest worden verhuisd van Univé naar de zolder van Actief. Ik had thuis nog stellingen van het instituut, die daarvoor geschikt waren. Het was een heel gedoe met dozen heen en weer reizen. Het staat nu tjokvol met zo’n drieduizend exemplaren. Ik ben momenteel bezig met het op foto zetten van de klompen.” Kosters heeft ook hier weer iets uitgevonden. “Om geen schaduw te krijgen op de foto’s heb ik een speciale foto bak gemaakt voor ontspiegeling. Nagemaakt van de fotodienst op het instituut.” Over deze hobby: “in de klompenmaterie moet je ingroeien, ik weet nog van niks.” Maar daar zal ongetwijfeld verandering in komen bij de leergierige Peizenaar.